kerk

Het dichtst dat ik ooit bij de hemel ben geweest in of om een kerk. Dat dacht ik toen ik deze foto nam. Ik ben heiden, zoals mijn vader grijnzend zou zeggen. Ik had eerst niet door wat ik zag. Het leek een raam van vensterglas, niet het gebruikelijke, gekleurde glas-in-lood. Een raam waar je zó doorheen kon kijken naar de wereld erachter. De kerk niet meer dan een façade.

Pas toen het beeld veranderde, zag ik dat het een weerspiegeling was. Nog een moment later was de wolkenhemel verdwenen. En was het een normaal kerkraam, inderdaad glas-in-lood. Ik was blij dat ik er precies op tijd was, op dat ene moment. De zoveelste kerk die vakantie – Italië, wat wil je – maar wel de bijzonderste. En dat had eigenlijk niets met die kerk te maken.

De foto die me het dierbaarst was, maar we raakten de camera kwijt. Tent binnenstebuiten gekeerd – niets. Naar het restaurant van de avond ervoor – niets. Nog een keer de tent doorzocht – niets. Vast gestolen. We deden aangifte op een politiebureau in Rome. Een belevenis op zich.

Een bloedchagrijnige agent liet ons eerst een uur zitten, toen een formulier invullen, vervolgens nog een tijd wachten en uiteindelijk werden we de trap op gestuurd. Stempeltje op ons formulier en we stonden weer buiten. Folklore hoor. Helaas nog steeds zonder fototoestel. En – veel erger – zonder een enkele foto van die vakantie.

De volgende ochtend werden we wakker en zei mijn vriend met grote ogen dat ik even bij mijn voeteneinde moest kijken. Daar lag onze camera, in vol ornaat. Om in hemelse sferen te blijven: het was een wonder.