Een braakliggend bouwterrein, midden in mijn wijk. Bergen zand waar nu eens kinderen op staan, dan weer een fotograaf. Een zwerm meeuwen cirkelt rond de moskee. En middenin een zanger op een podium.

Hij kijkt schuin omhoog naar de lucht, het voorzichtige zonnetje. Hij zingt over de wolken en de wind. Melancholieke liedjes, waarvan elk wel iets bij mij oproept. Me doet denken aan iemand, een gemis, een herinnering.

De gezichten in het publiek die ik vaag ken. Van jarenlang in dezelfde stad wonen. Lachende mensen, ze knikken met hun hoofd op de maat, maken foto’s van hun kinderen die, hoe klein ze ook zijn, poseren als volleerde modellen – opgegroeid in het iPhonetijdperk.

De lucht betrekt. Ik huil niet hoor, het is de regen. “Kijk niet om, ga steeds vooruit” zingt de zanger. Dat doen de mij onbekende maar toch vreemd vertrouwde mensen ook – die vrouw van wie ik toch echt dacht dat ze met die ene man was, heeft een ander. En een dochter van al zeker 6 jaar.

Alleen ik, ik heb het gevoel dat ik stilsta. Ik bevind me in een niemandsland. Met een droom waarbij het nog te vroeg is om ‘m op te geven, maar waarvan ik ook niet weet of-tie ooit uitkomt. Een vreemd soort vacuüm, dat me de adem beneemt.

De band speelt door. “Zoek niet wat er nooit meer is”, hoor ik zingen. Goed idee. Sommige dingen gaan voorbij, sommige mensen verdwijnen… Dat is niet tegen te houden. “Vecht met alles wat je hebt, verlies het goed / Wacht dan tot het lichter wordt, je hebt de tijd.”

Ik heb gevochten en verloren. Maar er is ook nog veel over. Er zijn donkere wolken, maar het wordt wel weer licht. Mijn hart is gebroken, maar dat groeit wel weer dicht.

En dan nu een lekker clichéplaatje: dit zag ik toen ik vandaag naar huis fietste

IMAG2214_2