Een gesprekje in de trein. “Wát zeg je, patatjes? En frikadellen? Mét appelmoes? Dat is opa’s lievelingskostje! Opa komt er direct aan!” Ten eerste: reteschattig. Maar toen vroeg ik me af: wie praat er eigenlijk over zichzelf in de derde persoon?

Ik hoor mezelf nog niet tegen mijn vriend zeggen: “En nu wil vriendin een kusje”. Of op mijn werk: “Collega heeft je een mailtje gestuurd.”

Even dacht ik dat het aan unieke rollen lag. Maar een kind kan meer dan één opa hebben. En mijn vriend heeft maar één vriendin (mag ik hopen tenminste, hihi), dus waarom zou het dan raar zijn om zo tegen hem te spreken?

We praten vast alleen zo tegen kinderen (hoewel sommige mensen ermee doorgaan als er geen kind meer in de buurt is, getuige de grappige column Mama van Paulien Cornelisse). Maar waarom?

Misschien omdat we voor een kind niet zozeer een persoon zijn als wel een functie hebben. Zoals Sylvia Witteman schreef in haar column Seizoensgod. Toen ze tegen haar zoontje zei dat ze ontzettend moe was, antwoordde hij: “Jij mág helemaal niet moe zijn. Want jij bent mijn moeder.”

Of misschien gewoon omdat het zo gezellig klinkt.