Als ik op mijn werk uit het raam kijk, zie ik in de verte een toren. Rond die toren vliegt vaak een zwerm vogels. Zilvervlokjes in het morgenlicht.

De zwerm buigt af, verdwijnt, duikt weer op. Alsof iemand een handje glitter uitstrooit. En opnieuw. En nog een keer.

Ik moet uitkijken dat ik geen raamambtenaar word.