Ambtenaren, dat waren naar mijn idee altijd van die bevlogen geitenwollensokkentypes. Zoals ikzelf. Maar in de trein zat ik tegenover twee strak-in-het-pak-mannetjes. Vast bankiers, dacht ik eerst.

“Zeg, wil je een keer mee naar mijn tafel?”
“Die in Scheveningen? Ja, leuk.”
“Neem wel je cv mee.”
“Dan moet ik die even updaten.”
“Ik zal je alvast aankondigen.”

“Ik ga dit weekend een Mini kopen.”
“Dat is wel een aardig autootje, ja.”
“Nee, een iPad mini.”
(ik ging er ook volledig vanuit dat hij tussen neus en lippen door aankondigde even een auto te gaan kopen)

“Het Mauritshuis gaat weer open.”
“O ja, ik zou daar graag een keer op de eregalerij dineren.”
“Nee zeg, dat is zó ordinair.”

“Ga jij nog naar de afsluiting van het parlementaire jaar?”
“Ja, even kijken of er wat vriendjes mee willen.”

“Werkt Martijn eigenlijk nog bij de CVAITD?” (of een dergelijke afkorting, in ieder geval met een C, ongetwijfeld van ‘commissie’).

Ze leken wel van een geheimzinnige sekte, deze ver-van-mijn-bed-ambtenaren.